Zwemvaardigheid

Wie het Zwem-ABC heeft behaald, heeft het predicaat Zwemveilig. Na het Zwem-ABC kan de zwemvaardigheid nog verder vergroot worden met de Zwemvaardigheidsdiploma’s 1, 2 en 3. Zeker voor jonge kinderen die het Zwem-ABC hebben voltooid, is het behalen van deze diploma’s zeer aan te bevelen. De kinderen zullen door heel regelmatig te blijven zwemmen hun geoefendheid op peil houden.

Tijdens de lessen maken de kinderen kennis met allerlei nieuwe zwemonderdelen zoals balvaardigheid en waterpolo, reddingszwemmen en survival. Bovendien worden er nieuwe zwemslagen aangeleerd zoals de vlinderslag en samengestelde rugslag. Uiteraard worden de bekende zwemslagen verbeterd en gecombineerd met keerpunten.

Met je zwemvaardigheidsdiploma’s heb je een prima basis om door te stromen naar het Wedstrijdzwemmen, Snorkelen of Survival.

Om aan Zwemvaardigheid 1,2 en 3 mee te mogen doen moet je het Zwem-ABC hebben bij aanvang van de lessen.

Kledingeisen

  • Shirt, hemd of blouse met lange mouwen
  • Lange broek (geen legging of broeken die naadloos aansluiten op de huid),  jurk of rok tot de enkels
  • Schoenen (plastic, leren en sportschoenen zijn toegestaan; schoenen zonder echte zool zoals surfschoentjes zijn niet toegestaan)

Eisen Zwemvaardigheid 1

Gekleed zwemmen

  • Te water gaan van de bassinrand of een startblok met sprong naar keuze (helemaal onder water gaan). Na het boven komen aansluitend al watertrappend, van een (meegenomen of toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken en hiermee 30 seconden blijven drijven (benen passief). Aansluitend proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen
  • Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong, direct gevolgd door (zonder boven te komen) onder water oriënteren en onder water zwemmen door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat zich op 9 meter van de (start-)kant bevindt, vervolgens doorzwemmen tot 25 meter, aansluitend 50 meter enkelvoudige rugslag, 2 keer onderbroken door een koprol achterover, 50 meter schoolslag, 2 keer onderbroken door: onder een vlot in de lengte (minimaal 1,5 meter) door zwemmen, vervolgens er op klimmen en aan de tegenoverliggende kant er af gaan en wederom onder het vlot door zwemmen. De proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen
  • In tweetallen: deelnemer A ligt watertrappend in het water, deelnemer B trekt deelnemer A vanaf de kant met behulp van een flexibeam of lesplankje naar de kant

In badkleding

  • Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 150 meter schoolslag, waarbij minimaal 2 keer een correct keerpunt wordt gemaakt (met beide handen aantikken, afzetten met beide voeten, in borstligging)
  • Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 25 meter samengestelde rugslag
  • Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 25 meter borstcrawl
  • Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), met wedstrijdstart, gevolgd door 25 meter rugcrawl
  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan  met een startsprong en 8 meter (beginners)vlinderslag (bij voorkeur dolfijnslag)
  • Te water gaan van de bassinrand of een startblok, met een sprong naar keuze, een aantal slagen schoolslag zwemmen, onmiddellijk gevolgd door het maken van een hoekduik en daarna het aantikken van drie pionnen, die op een onderlinge afstand van 2 meter minimaal 2 meter onder het wateroppervlak zijn opgesteld
  • In het water, rugligging, handen bij de heupen, 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van het hoofd, proef afronden met een gehurkte draai (360°)
  • In het water, tweetallen, 4 x de bal werpen (vangen hoeft niet, afstand is minimaal 2 meter)
  • Starten in het water, 10 meter polocrawl zwemmen vervolgens 30 seconden ongelijkzijdig watertrappen

Eisen Zwemvaardigheid 2

Gekleed zwemmen

  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een sprong voorwaarts (helemaal onder water gaan), watertrappend van een (meegenomen of toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken en hiermee 1 minuut blijven drijven, proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen
  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een kopsprong en onder water zwemmen door een gat in een verticaal hangend zeil dat zich op 9 meter van de (start-)kant bevindt, vervolgens (zonder boven water te komen) een pilon op 12 meter (van de startkant) aantikken, hierna schoolslag doorzwemmen tot 25 meter, gevolgd door 50 meter enkelvoudige rugslag, 1 keer onderbroken door een koprol voorover en een koprol achterover, aansluitend 50 meter schoolslag, waarbij 1 keer het volgende onderdeel wordt uitgevoerd met tweetallen: deelnemer A en B zwemmen naar elkaar toe, deelnemer A legt de handen op de schouders van deelnemer B en duwt deze even onder water terwijl hij/zij er overheen zwemt. Deelnemer B zwemt onder deelnemer A door, proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen
  • In tweetallen. Vanaf de kant met een hurksprong te water gaan met een flexibeam of lesplankje in de hand, vervolgens de kant vastpakken, flexibeam of lesplankje laten vastpakken door de deelnemer die in het water ligt en deze naar de kant trekken

In badkleding

  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een sprong naar keuze en 175 meter schoolslag zwemmen, waarbij minimaal 2 keer een keerpunt uit de wedstrijdsport wordt gemaakt
  • Starten in het water (handen aan de stang, bassinrand of startblok) en 50 meter samengestelde rugslag zwemmen
  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een startsprong en 50 meter borstcrawl zwemmen
  • Starten in het water (handen aan de stang, bassinrand of startblok) met wedstrijdstart en 50 meter rugcrawl zwemmen
  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een startsprong en 10 meter vlinderslag
  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een sprong naar keuze, vervolgens een aantal slagen schoolslag, vervolgens een hoekduik maken en aansluitend onder water door 2 staande hoepels zwemmen, die op een onderlinge afstand van 2 meter en minimaal 1,5 meter onder het wateroppervlak zijn opgesteld
  • In het water in rugligging 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van de voeten, aansluitend een gehurkte draai (360°) rechtsom, uitstrekken en een gehurkte draai (360°) linksom maken
  • Starten in het water en 10 meter polocrawl zwemmen met bal
  • 30 seconden ongelijkzijdig watertrappen en op signaal 3 keer omhoogkomen

Eisen Zwemvaardigheid 3

Gekleed zwemmen

  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een sprong voorwaarts (helemaal onder water gaan) vervolgens watertrappend, van een (meegenomen of toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken en hiermee 30 seconden blijven drijven, hierna onder water gaan, de plastic zak legen, weer boven water komen en opnieuw met lucht vullen en 30 seconden drijven, proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen
  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een kopsprong en onder water zwemmen door een gat in een verticaal hangend zeil dat zich op 9 meter van de (start-)kant bevindt, vervolgens (zonder boven water te komen) een pilon op 15 meter (van de startkant) aantikken, hierna schoolslag doorzwemmen tot 25 meter, gevolgd door 50 meter enkelvoudige rugslag, 1 keer onderbroken door een twee koprollen voorover en twee koprollen achterover, aansluitend 50 meter schoolslag, onderbroken door: een hoekduik, onder water door een poortje heen zwemmen, een halve draai om de lengteas maken naar rugligging en zo boven water komen, proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen
  • In tweetallen. Vanaf de kant met een hurksprong te water gaan met een flexibeam of lesplankje in de hand, flexibeam of lesplankje laten vastpakken door de deelnemer die minimaal 10 meter vanaf de kant in het water ligt en deze 10 meter in rugligging naar de kant trekken

In badkleding

  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een sprong naar keuze en 200 meter schoolslag zwemmen, waarbij minimaal 3 keer een keerpunt uit de wedstrijdsport wordt gemaakt
  • Starten in het water (handen aan de stang, bassinrand of startblok) en 75 meter samengestelde rugslag zwemmen
  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een startsprong en 75 meter borstcrawl zwemmen, waarbij minimaal 1 tuimelkeerpunt wordt gemaakt
  • Starten in het water (handen aan de stang, bassinrand of startblok) met wedstrijdstart en 75 meter rugcrawl zwemmen, waarbij minimaal 1 keerpunt uit de wedstrijdsport wordt gemaakt
  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een startsprong en 15 meter vlinderslag
  • Van de bassinrand of een startblok te water gaan met een sprong naar keuze, vervolgens een aantal slagen schoolslag, vervolgens een hoekduik maken en aansluitend onder water een hoepel (horizontaal liggend op de bodem, minimaal 2 meter diep) van de bodem optillen, er doorheen zwemmen en weer boven water komen
  • In het water in rugligging 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van het hoofd, aansluitend een salto achterover gehurkt maken
  • Starten in het water en met z’n tweeën naast elkaar 10 meter polocrawl zwemmen met bal, de bal twee keer naar elkaar overspelen
  • 30 seconden ongelijkzijdig watertrappen en de bal minimaal 3 keer overgeven van de ene naar de ander hand, ruim boven het wateroppervlak